NZa moet niet lullen, maar poetsen!

De Nederlandse Zorgautoriteit bewierookt in een ronkend persbericht zorgverzekeraar CZ voor het openbaar maken van ziekenhuistarieven. Maar die verklaring is hypocriet. De NZa zit namelijk zelf op deze gegevens en houdt ze angstvallig geheim.

Zorgverleners betalen voor veel behandelingen via een standaard codering. Zo is te zien wat bijvoorbeeld het behandelen van een bepaalde beenbreuk kost. De prijs verschilt per ziekenhuis en contract. Het kan zijn dat jouw zorgverzekeraar meer betaalt dan een andere. En ben je niet verzekerd dan betaal je weer een ander tarief.

Database

Dankzij de codering moeten wij als patiënten gaan shoppen en de NZa, de marktmeester in de zorg, moet de transparantie bevorderen. De zorgautoriteit beschikt namelijk over een grote database met daarin alle behandelingen, die zijn gedeclareerd. Je kunt dus heel precies zien wat behandelingen kosten en het zou patiënten enorm helpen als die gegevens controleerbaar zijn.

Dus vroeg de Stichting Open State Foundation in 2014 met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur om die database geheel of gedeeltelijk openbaar te maken. Vervolgens zette de zorgautoriteit alles op alles om juist deze gegevens onder de pet te houden. Er viel niet over te praten en voor tussen vormen stonden ze ook niet open.

Niet transparant

Toen ik voor de stichting naar de rechter stapte, zette de NZa de landsadvocaat om juist transparantie in de weg te staan. Flink investeren in schimmigheid om de kosten die van ons belastinggeld en met onze zorgpremies worden betaald inzichtelijk te maken.

Inmiddels ligt de zaak bij de Raad van State waar NZa het ‘no can do’-evangelie blijft verkondigen. Een belangrijke lijn van redenering om maar niet transparant te zijn, is de angst dat zorgverzekeraars de kosten van zorgverleners zouden drukken. Zorgverleners zouden dat niet willen. Maar in het hoger beroep hebben we zelfs de verklaring van de MC Groep namens vier ziekenhuizen toegevoegd dat zij geen enkel bezwaar zien.

Hypocriet

Hoe hypocriet is het dan dat als CZ precies deze tarieven openbaar maakt juist deze NZa in een persbericht de loftrompet gaat steken over de transparantie?

De NZa hoopt dat deze stap een versnelling betekent in het beschikbaar stellen van informatie over kwaliteit en kosten van zorg; en dat andere zorgverzekeraars het voorbeeld van CZ volgen.

Of met statements als:

René Jansen, lid van de Raad van Bestuur van de NZa: “Een volgende stap is dat ook andere zorgverzekeraars aan de slag gaan met het inzichtelijk maken van de kosten van ziekenhuisbehandelingen. En uiteindelijk zouden verzekeraars ook meer informatie moeten gaan geven over de kwaliteit van de zorg; patiënten willen graag weten waar je het beste terecht kunt voor een bepaalde behandeling. Dat betekent dat verzekeraars bij de inkoop ook afspraken gaan maken over de kwaliteit van zorg.”

Het cynische van het verhaal is dat de sleutel dus niet bij de verzekeraars alleen ligt. De NZa heeft de mogelijkheden om vandaag nog dit probleem op te lossen. In juli wezen we de NZa nog publiekelijk dat er gewoon wettelijke mogelijkheden zijn wel transparant te zijn als de NZa dat echt wil.

De oplossing is simpel: maak vandaag nog zorgkosten openbaar

of anders gezegd: niet lullen maar poetsen!

Documenten met betrekking MH-17 en professor Maat

In het onderzoek naar de MH17-crash is door Minister Van der Steur professor Maat op non-actief gesteld. Een Wob-verzoek bij de Nationale Politie moet meer helderheid brengen hoe het onderzoek naar Professor Maat is uitgevoerd. Nadat eerst veel documenten werden geweigerd wordt nu iets meer openbaar gemaakt:

 

Wanneer de geheimzinnigheidscultuur nou eens onderzocht?

Wie ooit gebruik heeft gemaakt van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) weet dat veel overheidsorganen zich uit de naad werken om te voorkomen dat de waarheid boven tafel komt. Misschien is het tijd rond transparantie niet de burger te onderzoeken, maar de overheid.

Als er één dossier met onzinnige geheimzinnigheid is omgeven dan is het wel de aanslag op de vlucht MH17. Op vage gronden wordt veel informatie geweigerd of worden kamervragen in het geheel niet beantwoord. Neem bijvoorbeeld het ontslag van professor George Maat. De forensisch expert gaf presentatie met foto’s van het onderzoek naar de MH17 en werd daarom ontslagen.

Veel doorhalen

De Tweede Kamer vroeg om opheldering door documenten te krijgen. Al bestaat dat recht op basis van de grondwet toch ging de minister zich opeens verschuilen achter de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Veel documenten waren goeddeels gekuist, want volgens de wet zou niet alles openbaar kunnen worden.

Daarna kreeg professor Maat na veel vijven en zessen eindelijk inzage in het onderzoek over hem. De eerste keer dat Maat inzage had in zijn heel dikke dossier was er slechts een uur tijd inclusief een voorgesprek en kon hij niets doen. Pas bij een moeizame tweede poging kreeg hij weer inzage en schreef hij alles over. Dit was de enige manier om het openbaar te maken. Het resultaat zette hij online. Wat opvalt is dat op basis van de Wob er nogal wat is aan te merken op het zwart maken van veel informatie. Ik geef drie voorbeelden:

Ten eerste: het weigeren van simpele feiten. De passage:

Op donderdag 23 april werd op last van de minister van Veiligheid en Justitie de samenwerking met professor Maat beëindigd.

wordt geweigerd. Maar welke grondslag op de Wob hier met succes zou opgevoerd kan worden is mij een compleet raadsel. Dit is toch echt een besluit van de hoogste bestuurder op een departement. Maar misschien had de geheimzinnigheid weinig te maken met de regels van de Wob, maar meer met het verdoezelen van een discrepantie met deze kamervragen van CDA en D66 waar de Minister schreef bij vraag 21:

Na de uitkomsten van het interne onderzoek heeft de korpschef vervolgens bepaald dat de samenwerking met professor Maat in dit identificatieproces werd beëindigd.

Een tweede voorbeeld is de interne beraadslaging. Veel gegevens uit het ‘rapport van relaas’ onder andere geweigerd op basis van zogenaamde stukken opgesteld voor interne beraadslaging. Dat is een uitzonderingsgrond die ambtenaren de ruimte moet geven om een persoonlijke mening te geven zonder dat iedereen die te zien krijgt. Prima. Maar een ‘rapport van relaas’ is een proces verbaal. Dat gaat om feiten niet om meningen. Is dit een gelegenheidsargument of is naar een conclusie toegewerkt?

Zo werden meer feitjes en weetjes geweigerd:

Uit onderzoek is mij, rapporteur, gebleken dat er op intranet een “presentatie voor collega’s” staat. In deze presentatie staan geen foto’s die herleidbaar zijn naar slachtoffers. Op intranet is te zien dat het bericht op 9 april is gewijzigd.

Dat is wel een belangrijk weetje, omdat er een standaard presentatie was en professor Maat dus helemaal niet zijn boekje te buiten was gegaan. Dat roept de vraag op of dit een stukje tekst van intern beraad was of de echte grond van weigering was ‘omdat het de minister schaamrood op de kaken geeft’?

Een foutief beroep op privacy. Her en der worden namen van ambtenaren gezwart om ‘de persoonlijke levenssfeer’ te beschermen. Bij de Wob is dat inderdaad onder omstandigheden mogelijk, maar niet als het gaat om ambtshalve functioneren. Dus een politieambtenaar die een rapport opstelt, een korpschef, een operationeel hoofd LFTO (Landelijk Team Forensische Opsporing) of andere teamleiders zijn mensen die een functie bekleden, waarbij belangrijk is te kunnen herleiden wat zij doen. Dat heeft niets met privacy te maken maar met ambtshalve functioneren.

Dit zijn evident voorbeelden, waarbij doelgericht wordt gewerkt aan het tegenwerken van transparantie. Of minder vriendelijk gezegd: het verdoezelen van de waarheid.

Misbruik

Ondertussen wordt keer op keer geroepen dat de burger misbruik van de Wob maakt. Op kosten van de belastingbetaler wordt naar dat ‘misbruik’ onderzoek gedaan. Maar naar het misbruik door de overheid wordt geen onderzoek gedaan. De laatste vijfjaarlijkse analyse naar de werking van de wet stamt al weer uit 2004.

Misschien zou het goed zijn dat de Tweede Kamer beseft dat zij een grondwettelijk recht op informatie hebben en zich niet met een vertrouwelijke inzage laten afpoeieren. Het parlement hoort zich niet als een soort ‘Wob-misbruikende burger’ met een kluitje in het riet te laten te sturen. Nee. Een actief parlement start nou eindelijk eens een onderzoek naar echt Wob-misbruik en moeizame informatievoorziening.

Wob-verzoek Romano van der Dussen

De in Spanje gedetineerde Romano van der Dussen wil openheid over informatie bij de Nederlandse overheid over zijn situatie. De man werd tot 15 jaar cel veroordeeld voor verkrachting en aanranding, maar inmiddels heeft een Brit bekend de dader te zijn. DNA bewijs onderschrijft die bekentenis. Toch zit Romano nog steeds vast. Via de Wob hoopt hij meer openheid te krijgen.

Meer lezen

Videoverslag van de Right To Know Day 2015

Op 28 september 2015 was de internationale Right To Know Day. Dit jaar werd een rechtszaak nagespeeld, waarbij een overheidsmedewerker pleitte voor transparantie terwijl notoire Wobbers Pieter Klein (RTL Nieuws) en Brenno de Winter de Rechter André Verburg tot geheimhouding probeerden te bewegen. De video is gemaakt door Sam Nemet en Ine Poppe van Poppe en Partners.

Chronologie rond VENONA

Dit is de tijdtabel rond VERONA, een project van de NSA. Het is na een procedure door de NSA openbaar gemaakt.

1 February 1943
Gene Grabeel begins VENONA at Arlington Hall.
November 1943
Lieutenant Richard Hallock makes first break into Soviet diplomatic cipher; break expanded by Frank Lewis.
During 1943
VENONA program expands; Captain F. Coudert and Major William B. S. Smith in charge.
November 1944
Break made in KGB cipher by Cecil Phillips, Genevieve Feinstein, Lucille Campbell.
1945
Gouzenko defects; Elizabeth Bentley and Whittaker Chambers tell FBI about Soviet espionage in U.S.
May 1945
Military intelligence teams find Soviet codebooks in Saxony and Schleswig, Germany.
July-December 1946
Meredith Gardner begins to analytically reconstruct KGB codebook; translates a few messages including one about the atomic bomb.
30 August 1947
Meredith Gardner’s study of KGB covernames in the messages.
September 1947
Carter W. Clarke of G-2 advises S. Wesley Reynolds, FBI, of successes at Arlington Hall on KGB espionage messages.
19-20 October 1948
Robert J. Lamphere, FBI HQ, begins liaison with Meredith Gardner and great number of espionage cases opened.
1948-1951
Exploitation of VENONA exposes major KGB espionage agents such as Klaus Fuchs, Harry Gold, David Greenglass, Theodore Hall, William Perl, the Rosenbergs, Guy Burgess, Donald Maclean, Kim Philby, and Harry D. White.
1952-1953
An earlier KGB cryptosystem exploited; GRU messages attacked. More espionage agents identified over the next two decades.
1953
CIA officially briefed on VENONA and begins to assist in counterintelligence work.
1960
U.K. begins to exploit Naval GRU messages.
1960-1980
Hundreds of first-time translations of messages; many earlier translations reissued.
1 October 1980
VENONA ends.

“Remembrances of Venona” by Mr. William P. Crowell

Dit stuk is afkomstig van de NSA die het openbaar heeft gemaakt.

Note: The following are the remarks made by Mr. William P. Crowell, Deputy Director of NSA when the declassification of the VENONA project was announced at CIA Headquarters on 11 July 1995. Mr. Crowell retired from NSA on 12 September 1997.

In the early 1960’s, shortly after joining NSA, I was one of a small but fortunate group of agency employees invited to a meeting with Frank Rowlett, one of the eminent NSA cryptologists who had been so successful during World War II. For over an hour Frank told us stories about the successful exploitation of codes and ciphers during the war. He spoke about how those successes had helped U.S. military leaders and the forces under their command win crucial battles and make strategic choices. But, he was very careful to avoid claiming that cryptography had won any battles. That distinction—between providing information that can make a difference—and using information to make a difference is still an important one and certainly applies to the results that were achieved in the successful breaking of the codes and ciphers known as VENONA

Twelve years later I was assigned as a manager in an NSA division that included the VENONA project. In a very short time I came to appreciate that VENONA was an absolutely fascinating story of the personal determination and dedication of a small group of cryptanalysts. It was, in addition, a brilliantly intellectual cryptanalysis effort. Lastly, VENONA was a model of outstanding interagency cooperation.

I also realized it was a story of considerable historical moment and that someday, when the need and responsibility to protect the sources and methods involved was diminished, it would be made public. That time has now come and today we give the first of the over 2200 VENONA translations to historians to judge. But, as we make this release, I think it is most appropriate that we recognize the extraordinary people who did the work.

The story of the efforts to attack Soviet KGB and GRU traffic began in February 1943 when a young woman, Miss Gene Grabeel, was assigned to organize, characterize, and analyze thousands of encrypted Soviet diplomatic messages. Through nearly a decade following, a number of analysts, by dint of their dogged determination, slowly made headway against a family of extremely sophisticated, double-encrypted cryptographic systems. They painstakingly extracted information, a word or two at a time, from one of the most challenging systems that had ever been exploited.

The first and most significant breakthroughs against the VENONA cryptosystems were made without even the most rudimentary computers or other sophisticated tools which we are accustomed to using today.

While the Soviet traffic that was ultimately read under the VENONA project spanned the years 1942-46, efforts to exploit it continued for decades. This was due to the agonizingly slow and difficult process in which sometimes only one or two words at a time were wrenched grudgingly from the code. Each new recovery came with the elation akin to finding a pearl in an oyster. But each recovery also led to renewed work as each message had to be reviewed to see if that code group was present and, if it was, then the enlarged context was checked and scrutinized to see if it provided clues to other unrecovered code groups. Similarly, as counterintelligence information based on the decrypts was passed to the FBI and the FBI investigated the leads, new information was developed which sometimes enabled new breaks into the code. Then the process would begin all over again.

People continued to work on VENONA so long as the possibility remained that counterintelligence information might be developed that could possibly reveal new agents or espionage activities that might still be active. When it was no longer reasonable to expect that those named in 1942-45 might still be alive or active in an espionage role, then ongoing efforts to continue to break the VENONA cryptosystems was terminated.

From the early days of WWII, Arlington Hall assembled teams of gifted linguists and cryptographers of the highest intellectual caliber to work against the German and Japanese codes and subsequently on the VENONA project. These were linguists like the brilliant and dedicated bookbreaker, Meredith Gardner who came with outstanding credentials in six or seven languages and who made some of the first, really vital breakthroughs against the VENONA systems — like 1st LT Ferdinand Coudert who came with a BA and an MA from Harvard in Slavic studies, a law degree from Columbia University, and a working knowledge of French, German, Russian, Serbo-Croatian, Bulgarian, and Japanese — and like CAPT William B.S. Smith, a contemporary of Coudert’s from Harvard who knew French and Breton and who had been an editor at the prestigious Columbia University Press. It included cryptographers like Genevieve Feinstein, Gene Grabeel, Cecil Phillips, and Dr. Richard Leibler, just to name a few. They and their colleagues brought a fearsome intellectual firepower to bear on various aspects of the VENONA puzzle with astounding, but hard won success.

As I mentioned, VENONA also was characterized by unprecedented interagency cooperation. First and foremost was the cooperation between the intelligence and law enforcement communities. This cooperation began with Wes Reynolds, the FBI liaison to Arlington Hall, and is typified by the close, cooperative efforts of Bob Lamphere who became the FBI’s direct link to VENONA. There is no clearer example of synergism in the early days than these cooperative relationships. VENONA also included cooperation with HUMINT collectors and international intelligence partners in prosecuting counterintelligence leads.

A word about the VENONA cryptosystems—they should have been impossible to read. They consisted of a code book in which letters, words, and phrases were equated to numbers. So a code clerk would take a plain text message and encode the message using numbers from the codebook. This would have presented a significant challenge itself depending on how long the code book was used. However, the messages were further modified, in other words double-encrypted, by use of a one time pad. The use of a one time pad effectively randomizes the code and renders it unreadable. The key to the VENONA success was that mistakes were made in the construction and use of the one time pads—a fact that was discovered only through brute force and analysis of the message traffic.

Once sufficient breakthroughs had occurred, it became clear that the Soviet diplomatic traffic was encrypted in several similar systems and that it included KGB and GRU espionage traffic in addition to diplomatic and trade messages. Gradually a picture of a massive Soviet espionage effort began to emerge from the work of the VENONA team.

In deciding to declassify and release the VENONA translations, we gave the utmost consideration to the appropriate protection of individuals’ privacy rights. It is not our desire or our responsibility to further interpret the VENONA translations—they will speak for themselves and the historians will help us understand and put them in context. But today, it is also our privilege to recognize the efforts and sacrifices of the VENONA team members publicly for the first time. Seldom do intelligence officers get the chance to talk about successes. The VENONA project is one of the best, and I am proud to have had a small part in telling the story.